Verhalen van de zusters

De activiteiten die de zusters ondernamen, leverden oneindig veel waardevolle ervaringen en inzichten op. Het bracht hen dichter bij God, maar vooral ook dichter bij zichzelf. Juist daarom willen ze hun ervaringen delen: ze bieden handvatten voor iedereen die op zoek is naar de antwoorden op grote vragen of ervoor open staat om over grote vragen na te denken.

Aanspreken is voldoende
Verhaal van zuster Angelica

‘Aanspreken is voldoende’

Zuster Angelica woont niet in het klooster, maar in een flatje in Tilburg. Een paar jaar geleden woonde er een drugsdealer boven haar. De drugsverslaafden hingen regelmatig rond voor de deur van het complex en haar buren klaagden. Maar zuster Angelica niet. “Ik had geen last van ze. Ze hielden de deur voor me open.”

Zuster Angelica kijkt anders naar verslaafden dan de meeste mensen. “Want”, zo is haar ervaring, “als je ze anders tegemoet treedt, reageren ze ook anders.” Die ervaring deed ze op in Huize Poels, decennia lang dé plek voor dak- en thuislozen en vluchtelingen in Tilburg. “Ik heb geleerd me niet boven een ander te verheffen. Als ik zei dat er geveegd moest worden, smeten ze de bezem naar me toe.”

‘Kom maar op’

Wie zuster Angelica zou ontmoeten, ziet waarschijnlijk als eerste gastvrijheid in haar ogen. Er staan niet voor niets meer koekjes en chocolaatjes op tafel dan we in drie interviews op zouden kunnen. Maar ze heeft ook iets doortastends. Iets van ‘kom maar op’. Dat blijkt ook wel. Toen een van de bewoners van Huize Poels zijn fiets niet uit de gang wilde halen, zette Angelica hem zelf buiten. Ze incasseerde het bombardement van scheldwoorden en kreeg later van de fietseigenaar een bosje vergeet-me-nietjes in de handen gedrukt. Zuster Angelica glimlacht om haar anekdote.

Of je speciale kennis moet hebben om met dak- en thuislozen, vluchtelingen, verslaafden en andere mensen in nood om te gaan? Zonder de kwaliteiten van hulpverleners te willen bagatelliseren, zegt ze: “Je hoeft ze alleen maar aan te spreken om met ze om te kunnen gaan.”

Tamil strijder

Eigenlijk had Angelica de leiding over het huishouden in Huize Poels. In de praktijk kwam het er op neer dat ze vrijwel zonder geld toch aan voldoende boodschappen moest komen en tegelijkertijd aandacht moest schenken aan de gemêleerde groep bewoners. Zo was er ook een gevluchte Tamil strijder, toen 17 jaar. “Hij had net gehoord dat zijn moeder was overleden. Wat ik kon doen? Gewoon erbij zijn. Later is hij in Canada terecht gekomen. Nu heeft hij een winkel en vier dochters. Ik denk wel eens: wat was er van hem terechtgekomen als we hem in de kou hadden laten staan?”

Huize Poels heet inmiddels Traverse. Eigenlijk herkent zuster Angelica het niet meer terug als ze er nu komt. De gemeente wil dat mensen er zo kort mogelijk zijn en vervolgens doorstromen naar een eigen woning. Angelica pakt er een boek bij waarin oprichter pater Poels een interview geeft, drukt haar vinger op het papier en citeert met verheven stem: “Laat zo’n man nou eerst eens even zitten om zijn accu op te laden!” Die aanpak wordt nu afgedaan als inefficiënt, maar het frustreert Angelica dat ze dezelfde mensen steeds opnieuw weer in de problemen ziet komen.

Nooit klaar

Pater Poels is iets anders gaan doen. Hij brengt ’s nachts broden naar gezinnen die zelf geen broden kunnen kopen. Angelica zoekt nog steeds oud-bewoners op van Huize Poels en brengt kleding die ze verzamelt naar mensen die het nodig hebben. “Dit werk is nooit klaar.”

Kijkend naar de maatschappij van vandaag, kan Angelica niet anders dan concluderen dat we “heel vrij zijn, maar ook individualistisch en dus weinig binding hebben met elkaar. Ik zou liever zien dat mensen leefden met meer aandacht voor elkaar.” Een gevolg van dat individualisme is dat we vaak denken: ‘dat doet iemand anders wel.’ Daardoor komt een helpende hand nu vaak niet of te laat, zegt Angelica. “Het is NU te doen. Mensen hebben NU hulp nodig. Dus wacht niet op een ander of de sociale dienst.”

Niet alleen voor onszelf leven
Verhaal van zuster Clementine

‘Niet alleen voor onszelf leven’

Zuster Clementine ging het klooster in op zoek naar geluk. De les die ze leerde was: je wordt alleen gelukkig als je voor anderen zorgt. Het komt niet vanzelf. Dus dat deed ze. 

Als onderwijzeres leerde zuster Clementine meisjes rekenen en spellen. “Ik deed het zo goed mogelijk. Dat was ik van huis uit al gewend. Kinderen die er een beetje buiten stonden gaf ik wat extra aandacht.” Maar met veertig tot vijftig kinderen per klas was dat geen gemakkelijke opgave. Toch moet het zijn gelukt. “Want”, zegt ze lachend, “ik weet dat ze van me hielden.”

Onder druk

Met de vele onderwijsveranderingen had zuster Clementine het moeilijk. Zoals de gemengde klassen. “Jongens waren heel anders dan meisjes. Al waren er ook hele aardige, galante jongens bij.” Haar vertrouwde manier van werken – ik spreek, de kinderen luisteren – kwam onder druk te staan. “Kinderen moesten voordrachten en spreekbeurten gaan geven. Dat maakte ze vrijer, ze durfden meer voor de dag te komen. Maar het oude systeem vond ik overzichtelijker.”

Haar werk in het onderwijs werd ook nog op allerlei andere manieren bemoeilijkt. Mensen met verschillende ideeën probeerden allemaal hun zin door te drukken en hadden geen oog voor het effect daarvan op anderen. Toen de school waar Clementine werkte samenging met die van een andere parochie, ontstond er onenigheid onder de ouders van de kinderen over de plek voor de gezamenlijke school. Beide parochies wilden een andere locatie. “Het gevolg was dat onze school 'n paar maal door ouders werd bezet. Al met al had dit geen gunstige invloed op de kinderen, het personeel en op mij.”

‘Niet alles is goed en vanzelfsprekend’

Naarmate de jaren vorderde, werd de ruimte om aandacht te besteden aan godsdienst in de klas steeds kleiner. Dat vond Clementine jammer. Niet omdat alles in het teken moet staan van God, “Maar omdat er ‘iets hogers’ is. We moeten ons er bewuster van zijn dat niet alles goed en vanzelfsprekend is. Het lijkt tegenwoordig of alles mag. Met iets hogers bedoel ik ook ‘elkaar’. We moeten niet alleen voor onszelf leven.” Dat heeft ze haar leerlingen mee kunnen geven, naast hoofdrekenen en correct spellen. In de maatschappij van vandaag ziet ze het nog terug. “De gemeenschapszin. Kijk eens naar al die vrijwilligers. Dat vind ik iets fantastisch. Dat ze zoveel voor een ander over hebben. En ook dat er mensen zijn die zich inzetten in ontwikkelingslanden. Dat vind ik iets geweldigs van deze tijd.”

Iedereen staat voor je klaar

Nu, al geruime tijd met pensioen, is haar schoolwerk klaar. Maar bouwt ze voort aan haar ideaal. De verbanden tussen het leefbaar maken van de wereld, je inzetten voor de ander en gelukkig worden zijn helder geworden. “Juist nu we ouder beginnen te worden, staat iedereen voor je klaar”, zegt zuster Clementine over haar medezusters. “Dat doe je niet voor God. Het is een mentaliteit: je moet klaar staan voor een ander.” Het leefbaar maken van de wereld doet ze nu in haar eigen omgeving. Ze draagt zorg voor de bibliotheek en natuurlijk houdt ze de deur open voor die andere zuster met een rollator. “Je bent nooit klaar.” 

Er zijn. Dat kun je doen
Verhaal van zuster Irmentrudis

‘Er zijn. Dat kun je doen’

Eten en brandstof waren schaars aan het einde van de Tweede Wereldoorlog. Dus verstookten ze in het gezin van zuster Irmentrudis de deuren. “Alleen de wc-deur bleef over.” Armoede was Irmentrudis dus niet vreemd. Mede daarom had ze er bij de missie in Brazilië extra oog voor.

Dat ze naar de missie wilde, wist ze al op jonge leeftijd. Misschien zat het zelfs wel in haar genen, want haar vader en grootvader waren avontuurlijke types, zegt Irmentrudis. Toen ze als meisje les kreeg van een gitzwarte zuster uit Papoea, hing ze aan haar lippen. Tegelijkertijd had Irmentrudis geen idee waar ze aan begon. Ze wist niet hoe het leven achter de kloostermuren was en al helemaal niet wat ze van een land als Brazilië moest verwachten. Toch twijfelde ze nooit. “Je leert het onbekende pas kennen als je er in zit.”

‘Ik had daar niks’

Irmentrudis trad in, in de hoop snel naar de missie te kunnen. Maar dat liep anders. De oorlog had ervoor gezorgd dat ze al vroeg volwassen was. Dat viel op en daarom bood moeder overste haar de mogelijkheid om te studeren. Na haar studie mocht zal alsnog naar de missie.  Ze zamelde geld in bij de huizen van de congregatie. “Want ik had daar niks. Met zes grote, stalen kisten ben ik naar de boot vertrokken.”  De reis van drie weken op volle zee, maakte enorme indruk en gaven haar de tijd om aan haar Portugees te werken. Haar opdracht: een huishoudschool oprichten.

Dat er ‘niks’ was, was niet overdreven. Er waren geen materialen en er was al helemaal geen gebouw voor de school. Daar ging Irmentrudis niet op wachten. Ze begon gewoon op straat en zocht ondertussen naar manieren om te bemachtigen wat ze nodig had. “Ik deed alles om aan geld te komen.” Dus ging ze kleding verkopen die uit Nederland werd verzonden. Van de opbrengsten kocht ze schoolmaterialen. Een leegstaand gebouwtje mocht ze na enig aandringen als school inrichten. “Ik kreeg het omdat ik helemaal niks had.”

 Tegenwoordig zijn

Het plaatsje waar ze werkte, had duidelijk twee gezichten. Enerzijds waren er de relatief rijke boeren. Anderzijds was er de arme Braziliaanse bevolking die in krotten woonden. Irmetntrudis zag de armoede niet alleen, ze voelde ook wat het betekende. Door haar oorlogservaringen en haar leven zonder bezittingen in het klooster. Dus moest ze iets doen. Vrijwel zonder spullen of geld, want dat was er simpelweg niet. Irmentrudis herinnert zich dat ze bij een vrouw kwam wiens man dronken dwars op bed lag. “Hij had net zijn loon gehad. We hebben zijn benen opzij geschoven en gepraat. Er zijn. Tegenwoordig zijn. Dat kun je doen. Mensen hebben zo weinig nodig.”

 Heel bewust begon Irmentrudis bij de moeders. Ze leerden ze haken, borduren en allerlei andere dingen. “Want die vrouwen zaten de hele dag op een stoepje in de zon. Dat is toch geen leven?” Ze was erop gespitst het gedrag wat ze zag niet te veroordelen. In plaats daarvan wilde ze de vrouwen enthousiasmeren. “Je moet niet tegen mensen zijn, maar je moet ze opleiden en begeleiden.” Later verlegde ze  haar aandacht naar kinderen. “Ik heb nooit een man gehad, maar ben moeder van vijfhonderd.” Ze bracht de kinderen vaardigheden bij en bood ze een luisterend oor. Ze zag leed en probeerde er wat aan te doen. “De pech is voor de mensen die het niet zien.”

 Het gaat door

In 2000 beëindigde ze haar werk in Brazilië. Bladerend door recent genomen foto’s wijst ze twee Braziliaanse zusters aan het werk nu voortzetten. “Dat is het beste, als het doorgaat als je er niet meer bent.” Maar heimwee heeft ze wel. Naar de kinderen, de vruchtbare grond en al het moois dat er op bloeide. Ze vertrok omdat ze in Brazilië niemand ‘tot last’ wilde zijn, maar vond in Nederland weinig terug van wat ze had achtergelaten.”

Er is maar één mensheid
Verhaal van zuster Odulpha

‘Er is maar één mensheid’

Het lijkt vreemd. Een Franciscaanse zuster die het heeft over vechten en zichzelf een rebel noemt. Maar voor zuster Odulpha was het Franciscaanse leven wel degelijk een strijd. Het ging zus, maar in haar ogen moest het zo. “We zijn ontstaan als reactie op mensen in nood. Maar in de tijd dat ik toetrad, zagen we de noden van vandaag niet meer.”

Haar fascinatie voor mensen in nood begon in de tijd dat ze haar vader hielp in diens kapperszaak, kort na de oorlog. Daar hoorde ze veel verhalen, die volgens haar vader lang niet altijd voor haar jonge oren bestemd waren. Bovendien leerde ze thuis een belangrijke les: “Om ons brood te verdienen, zijn we afhankelijk van de gemeenschap. Je kunt dus geen verschil maken tussen mensen.” Voor Odulpha kregen die woorden steeds meer betekenis. Nu zegt ze: “We moeten ons ervan bewust zijn dat er maar één wereld is en we samen één mensheid zijn. Het maakt niet uit wie je bent, wat je gelooft of wat je hebt.”

Rand van de samenleving

De weg die Franciscus had gekozen, sloot nauw aan bij het wereldbeeld dat zich bij Odulpha vormde. Waar iedereen in de tijd van Franciscus met een ruime boog om de melaatsen (leprapatiënten) heen liep, ging hij er juist naar toe. Odulpha: “Ik wilde zijn moed om naar de melaatsen te gaan vertalen naar vandaag. Wie zijn nu de mensen aan de rand van de samenleving? Maar in de tijd dat ik intrad, werd je onderdanig gehouden. Je mocht niet jezelf zijn. Als werd gezegd dat je iets moest doen, mocht je niets terugzeggen. En alles werd je afgenomen, zelfs je identiteit; je kreeg een andere naam.”

Blijven vechten

In de jaren ’70 van de vorige eeuw werd Odulpha overgeplaatst naar een huis van de Franciscanessen in Wassenaar. Daar kwam ze te werken in het vakantiehuis dat de zusters daar hadden. Ze zag er haar kans schoon om iets te doen aan de noden van de moderne tijd. Verschillende sociale diensten kenden het vakantiehuis en wilden er graag cliënten onderbrengen in de periodes buiten de vakantie. “Ik vond het een goed idee om daarop in te gaan. Tussen de vakanties door stond het huis toch leeg. Maar toen mijn medezusters merkten dat de sociale dienst en een gemeente de vakanties voor deze mensen betaalden, ontstond er een probleem. ‘Je gaat toch niet op vakantie als je dat zelf niet kunt betalen’, zeiden ze. Ze snapten het niet. De situatie niet en mij niet. Ik zocht naar de melaatsen van onze tijd, maar vond de medezusters niet op mijn Franciscaanse pad.” Ze had er natuurlijk uit kunnen stappen. “Maar dan was ik nooit gelukkig geworden. Ik wilde blijven vechten.”

Weer op de rails

Toen Odulpha een pater ontmoette die begreep wat ze aan het doen was, besloten ze de strijd samen voort te zetten. Ze vertrokken naar Eindhoven en openden daar in een rijtjeshuis een maatschappelijke opvang voor dak- en thuislozen. Begin jaren ’70 was dat een nieuw fenomeen. “We hadden al gauw tien tot twaalf mensen. De nood was groot, merkten we. Dit waren de melaatsen van vandaag. Ons doel was steeds om deze mensen te helpen hun leven weer op de rails te krijgen.”

Opvang Odulpha wisselde een aantal keer van locatie, maar niet van naam. Tot op de dag van vandaag is Odulpha in Eindhoven een vertrouwd begrip. Zuster Odulpha is bescheiden. “Ik wil niet opgehemeld worden. Ik heb ergens naar gestreefd, maar je kunt nooit alles, want je bent ook maar gewoon mens.” Wat maakte dat ze dít mens wilde zijn? “Ik ben zonnig opgevoed. Opgegroeid met dankbaarheid. We hebben maar één wereld. Er is maar één mensheid. Iedereen is gelijk. Je kun jezelf niet boven een ander stellen.”

Ik wilde maar één ding
Verhaal van zuster Marceline

‘Ik wilde maar één ding’

Net als al haar medezusters beloofde zuster Marcelline gehoorzaam te zijn. Tegelijkertijd wist ze heel goed wat ze wilde en dat was lang niet altijd wat haar opgedragen werd. Dus ging ze in discussie. Met effect. “Ik heb kunnen doen wat ik wilde.”

Marcelline was graag thuis. “Om vakantie gaf ik niets”, zegt ze. “Ik had snel heimwee.” Maar wat ze het liefst wilde doen, kon niet vanuit huis. “Ik wilde dienend zijn, klaarstaan voor de medemens. Maatschappelijk werk bestond nog bijna niet in die tijd. Het klooster was de enige mogelijkheid.” Een grote stap, al was het maar omdat ze haar ouders nauwelijks nog zou zien.

‘Ga van het leven genieten’

Een pater met wie ze over haar toekomst sprak zei: “Ga van het leven genieten, dan weet je wat er te koop is. Als je daarna besluit het klooster in te gaan, weet je dat dat voor jou de juiste keuze is.” Niet veel later zwierf Marcelline met een vriendin tot in de kleine uurtjes over de kermis. Ze kwam een jongen tegen die haar leuk vond. Thuis zaten alle deuren op het nachtslot. Toen haar vader opendeed zei hij met een sneer: “Ben jij er een die het klooster in wil?” “Die opmerking heeft me zoveel pijn gedaan”, zegt Marcelline ruim vijftig jaar later. “Die jongen vond ik maar niks. Ik wilde maar één ding: intreden.”

Als zuster was haar eerste opdracht om op een meisjesvakschool naailes te geven. “Je werd er gewoon voor gezet. Je deed het gewoon.” Daarnaast moest ze waken bij zieken en doden afleggen. Dat was iets waar zuster Marcelline zich totaal niet goed bij voelde. “Ik had er veel schrik van.” Tegelijk had ze bij haar intreden wel beloofd te doen wat haar gevraagd werd. Toch stapte ze naar het bestuur en zei: “Als ik dit werk moet blijven doen, treed ik uit.”

Zuster Marcelline werd overgeplaatst naar het klooster van de Franciscanessen in Benedenleeuwen. Ook daar gaf ze naailes. Het waren niet de makkelijkste kinderen. “Als ze iets moesten doen wat ze niet leuk vonden, waren ze bijna niet in bedwang te houden.” Met trucjes die ze zichzelf aanleerde, wist ze het toch leuk te houden voor zichzelf en voor de kinderen. “De leerlingen kennen me allemaal nog”, lacht Marcelline.

Afgebrand

Benedenleeuwen ging dicht toen het klooster afbrandde. Marcelline maakte het schooljaar nog af; met een paar andere zusters sliep ze een halfjaar in een klaslokaal. Daarna werd ze naar Oirschot gehaald. “Daar vonden ze dat ik opnieuw opgevoed moest worden. Ik leefde van plezier en lol, zeiden ze… Dat vond ik vreselijk. Ik werd behandeld als een klein kind. ” Ze ging opnieuw in discussie met het bestuur. Het leidde er uiteindelijk toe dat ze leiding ging geven in het internaat. Maar wel op haar eigen voorwaarden. “Ik wilde in het klooster slapen, niet in het internaat. Ik wilde de oudste groep hebben, met die kinderen kun je tenminste wat. Ik wilde een naaimachine. Ik heb het allemaal voor elkaar gekregen.”

Dat zuster Marcelline luisterde naar zichzelf en voor zichzelf opkwam, maakte dat ze haar werk vol overgave deed. “Ik wilde jongeren de weg wijzen op een manier die ze begrepen. Er was een meisje dat ’s ochtends veel te laat uit bed kwam. Daardoor miste ze het ontbijt. Straf hielp niet. Ik heb haar toen een heerlijk ontbijt op de kamer gebracht. Ik zei: ‘Dit is allemaal voor jou. Als je op tijd opstaat, heb je dit iedere dag.’ Ze is een van mijn beste vriendinnen geworden. Ik zie haar nog steeds en dan vertelt ze me dit verhaal.”

Dat veel mensen het tegenwoordig moeilijk vinden om er achter te komen wat ze willen, snapt zuster Marcelline heel goed. “Er zijn zoveel mogelijkheden. Maar je moet er zelf iets van maken. Ik heb mijn keuzes goed overwogen. Ik ben er trots op dat ik dit heb gekund. Maar ik kon er ook niet omheen. Dit zat in me.”

Geen leven zonder natuur
Verhaal van zuster Eugenie

‘Geen leven zonder natuur’

Zuster Eugenie is een keer bijna van haar fiets gevallen van verbazing. Ze zag een man door het dorp lopen met een kar achter zich aan. “Hij was alle blikjes die in de berm lagen aan het opruimen. Dat vond ik prachtig. Ik ben afgestapt en heb hem een compliment gemaakt.”

“De natuur is van ons samen”, vindt zuster Eugenie. “We moeten er samen van kunnen genieten.” Dat doet ze dan ook iedere dag. Vooral omdat ze niets vanzelfsprekend vindt. De spreeuwen die iedere avond massaal de boom tegenover haar kamer bevolken. Elk plantje dat uit de aarde groeit. “Ieder zaadje is een bron van leven. Ik raak verstild door de kracht die er door onze schepper in is gelegd.”

Mini-Floriade

“Zo’n betegelde, onderhoudsarme tuin, wat heb je daar nou aan?” vraagt ze zich hardop af. Haar eigen kamer wordt door haar medezusters vaak een mini-Floriade genoemd. Geen enkele plant is wat haar betreft ten dode opgeschreven. “Ik geef ze een tweede kans. Een orchidee bloeit pas weer na een half jaar, als je hem goed verzorgt. Zo’n plant weer in bloei krijgen is een sport voor mij. In de winkel een plant kopen, daar is niks aan. Dat kan iedereen.”

Eugenie heeft sowieso moeite om eten en spullen die nog goed zijn weg te gooien. “Toen ik nog thuis woonde, op een boerderij, moesten we alles benutten. Als je een appel niet op wilde eten, omdat je hem niet lekker vond, gaf je hem aan de kippen. Laatst zag ik op tv dat mensen weer moeten leren om geen eten weg te gooien. Alsof eten weggooien de normaalste zaak van de wereld is. Ik ben misschien ouderwets, maar dat vind ik niet normaal.”

De wens om niet te verspillen, zet Eugenie op alle vlakken door. Met spaarlampen, een waterbesparende douchekop en door in de winkel te kiezen voor producten waar ‘minder omhulsel’ omheen zit. “Als ik warm water nodig heb, duurt dat altijd even. Met dat koude water dat eerst komt, vul ik min gieter. Het is toch zonde omdat maar weg te laten lopen? Als het lang droog is in de zomer, moet ik wel eens sproeien. Dat vind ik lastig, want ik vraag me dan af hoeveel mensen op de wereld water tekort komen.”

Boerderijbezoek

Dat Eugenie zo begaan is met de natuur, komt omdat ze zich ervoor openstelt, denkt ze. “Het intrigeert me hoe planten en bloemen bloeien. In het voorjaar ga ik altijd bij de fruitbomen kijken of er al bloesem in zit.” Ook het gedrag van dieren boeit haar. “Ik voer de vogeltjes. En dan is er een roodborstje dat alles te vertellen heeft. De meesjes hebben maar te gehoorzamen.” Mensen zijn ver van de natuur af komen te staan, vindt ze. “Daarom vind ik het zo fijn als ik hoor dat kinderen op bezoek gaan bij de boerderij en weer zien waar ons eten vandaan komt.”

Ze hoopt dat meer mensen zich weer gaan verwonderen over wat zo vanzelfsprekend is geworden. “We brengen de natuur zoveel schade toe. Maar heel ons hebben en houden is afhankelijk van de natuur. Als er niets meer groeit, kunnen we toch niet meer leven?”